GEORGETOWN – Een hooglopend juridisch conflict over de interpretatie van de grondwet houdt de politieke top van Guyana in zijn greep. President Irfaan Ali en de kersverse oppositieleider Azruddin Mohamed staan lijnrecht tegenover elkaar over de benoeming van de Kanselier (Chancellor) en de President van het Hooggerechtshof (Chief Justice). Centraal in het escalerende geschil staat Artikel 127 van de Guyanese grondwet, dat dwingend voorschrijft dat deze topfunctionarissen pas kunnen worden aangesteld ná formele overeenstemming met de oppositieleider.
Presidentiële arrogantie stelt wetgeving terzijde
Het conflict legt een diepe constitutionele frictie bloot tussen de uitvoerende en de controlerende macht. President Ali houdt voet bij stuk dat nieuwe consultaties met de huidige oppositieleider overbodig zijn. Het staatshoofd redeneert dat de officiële voordracht van de regering ongewijzigd is gebleven sinds deze in oktober 2025 werd gecommuniceerd aan de toenmalige oppositieleider, Aubrey Norton. Volgens het presidentiële kamp is aan de grondwettelijke overlegplicht voldaan.
Wisseling van de wacht
Oppositieleider Azruddin Mohamed, die pas op 26 januari 2026 werd verkozen tot de nieuwe politieke leider van de oppositie, veegt dat argument resoluut van tafel. Hij benadrukt dat Norton geen enkele formele status meer geniet en dat de grondwet de president verplicht om overleg te voeren met de functionaris die momenteel het ambt bekleedt, alvorens de definitieve benoemingen kunnen worden bezegeld.
"Mijn standpunt over het bevestigen van de Kanselier en de Chief Justice is helder: er móét consultatie plaatsvinden met de huidige oppositieleider. De heer Norton is de oppositieleider niet meer. De president zal mij officieel moeten aanschrijven of bellen," verklaarde een strijdbare Mohamed. De oppositieleider overweegt inmiddels juridische stappen om de president via de rechter te dwingen tot formele gesprekken. Hij stelt dat constitutionele verplichtingen onmogelijk kunnen worden afgekocht met correspondentie aan een voormalig functionaris.
"Het handelen van president Ali, zijn kabinet en zijn ambtenarenapparaat getuigt van een rancuneuze politieke cultuur, waarbij wet- en regelgeving stelselmatig terzijde worden geschoven. Een recent voorbeeld hiervan is de situatie rondom de lokale NDC-instantie in #55 Village (Corentyne, Berbice), waar de heren Radjen en Smiley – zonder enige formele waarschuwing of interventie van minister Priya Manychant– maatregelen opleggen die de burgers duperen. Dit incident illustreert hoe lagere overheden het gedrag van de top kopiëren en de grondwettelijke kaders, die de rechtsorde en het goede bestuur moeten waarborgen, negeren. Men mag bovendien niet uit het oog verliezen dat deze president, voorafgaand aan zijn ambtstermijn, al negentien strafrechtelijke beschuldigingen tegen zich had lopen; een zorgwekkend precedent voor een staatsman met een langdurige loopbaan binnen het openbaar bestuur." aldus een hooggeplaatste ambtenaar in Guyana die anoniem wil blijven en bang voor rancune is.
Rechter krijgt het laatste woord
De wortels van de breuk liggen in een officiële brief van president Ali uit oktober 2025. Daarin zocht hij instemming van toenmalig oppositieleider Norton voor de definitieve benoemingen van waarnemend Kanselier Roxane George-Wiltshire en waarnemend Chief Justice Navindra Singh.
Nu de politieke patstelling compleet is, lijkt de gang naar de groene tafel onvermijdelijk. Als de zaak daadwerkelijk voor de rechter komt, rust op de zittende magistratuur de zware taak om een historisch vonnis te vellen. Zij zullen moeten bepalen of Artikel 127 vereist dat het consultatieproces volledig opnieuw moet worden opgestart zodra er een wisseling van de wacht plaatsvindt bij de oppositie, nog voordat de benoemingen formeel zijn bekrachtigd.




Geen opmerkingen:
Een reactie posten